TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Ben Roorda lag in het bed van de stroper en Rob zat met een deken om op een stoel bij de tafel midden in de hut.
Ben had juist met blijkbare angst in zijn stem gezegd: „Wat duurt dat lang met Carl, hè?” toen de honden luid begonnen te blaffen en aan hun kettingen trokken.
„Daar zal je iemand hebben!” zei Rob en hij vloog in zijn deken naar de deur.
Dadelijk daarop trad de dokter, gevolgd door Dolf, binnen.
„Nou, jullie vrind is gered hoor!” riep de dokter luidruchtig vrolijk. „Ze brengen ’em hier al naar toe!” En toen tot Dolf: „Wie is nou de jonge mensenredder?”
Dolf wees naar Rob en vol trots klonk het:
„Hij dokter!”
„Zo! Ben jij nou Rob Felten? Dan maak ik je m’n compliment, hoor jongen. Dat is ’n kranig stukje, dat je daar hebt uitgehaald. Ik heb er respect voor. Jij bent ’n flinke zoon van je vader. Die zou trots op je wezen!”
Rob had eerst wat verlegen naar de grond staan kijken, maar toen de dokter over zijn vader sprak, zag hij hem even aan.
„Ja Rob, ik heb je vader vroeger nog in Indië ontmoet.” En daarna tot Dolf en Ben: „Dat was één van de kranigste Indische officieren die ik gekend heb!”
Het bloed vloog Rob naar de wangen en zijn ogen schitterden. Hij hoorde nooit liever dan over zijn vader spreken en nu had die onbekende dokter dat gezegd, waar Dolf en Ben bij waren. Rob’s hart klopte van vreugde.
„Jij bent aardig op weg z’n voorbeeld te volgen!” ging de dokter door. „Vertel jij maar aan je moeder, dat je dokter Van Putten uit Batavia ontmoet hebt. En ook dat ik heb gezegd, dat ze trots op je mag wezen.”
Toen ging de dokter naar het bed en zei: „En ben jij de andere drenkeling?”
Ben knikte.
Even voelde de dokter Ben’s pols.
„Dat had geen haar gescheeld met jullie, hè?”
Ben knikte voor de tweede maal.
Op dat ogenblik trad Petersen met Carl in zijn armen de hut binnen.
„Ziezo,” zei de dokter, naar Carl wijzend. „Nu hij in bed en de andere d’er weer uit.”
Ben was al opgesprongen.
Voorzichtig legde de stroper Carl in zijn ijzeren ledikant, stopte hem daarna met de dekens toe. De dokter sloeg de deken van Carl om Ben heen.
„Nou leg je ’n paar kruiken of flessen, wat je maar hebt, met heet water tegen hem aan, hoor Petersen. Maar pas op dat ie zich niet brandt!
En dan stuur ik ’n auto hier naar Quatre Bras voor de jongens. Ik zal de chauffeur twee stel kleren meegeven. Ja, ja, ik heb thuis ook nog zo’n paar rakkers van jongens, net als jullie. Jullie trekt hun kleren maar aan en dan zal de auto jullie wel thuis brengen. Carl blijft hier voorlopig bij jou, Petersen. Ik zal de chauffeur ’n briefje meegeven voor z’n vader en moeder. Dan kunnen ze ’m zelf met ’n ziekenauto halen. Dat is beter!”
„Tsjonge-jonge, nog meer bezoek? ’t Houdt niet op vandaag!” lachte Petersen. „Ik heb van m’n hele leven nog nooit zoveel men sen op Tjot Idi gehad!”
„Ja, en weet je wie de vader van dat jonge mens is, die bij je op bezoek komt?” vroeg de dokter.
Petersen schudde zijn hoofd.
„Mijnheer Heine!”
„De kantonrechter?”
Opeens begon Petersen te lachen, dat zijn buik ervan schudde. „Krijg ik die op visite? Nou, dan maakt ie misschien nog proces verbaal tegen mij op wegens zwemmen aan de publieke weg in ver boden water. De kantonrechter op Tjot Idi! Ik ben vaak bij hèm geweest, maar hij nog nooit bij mij. Dat most schele Teun es horen. Nou, ik zal de kantonrechter beleefd ontvangen. En ik zal ’em nog ’n koppel patrijzen meegeven die ik vanmorgen op de kop heb ge tikt!” En Petersen lachte, dat het daverde.
„Jij bent toch ’n rare snijboon!” zei de dokter.
Maar ineens klopte hij Petersen op de schouder en voegde hij er aan toe: „Maar ik ken heel wat mensen die ik minder graag zie dan jou. En dat zal de kantonrechter na vandaag ook wel zeggen.”
„Zo? Nou, dan hang ik dat in ’n gouwen lijssie boven m’n deur!” En de zware lach van de stroper daverde opnieuw door de hut.
Rob, Ben en Dolf lachten hard mee.

Twee uur later stopte een grote blauwe auto voor de deur van mevrouw Felten’s huis.
Noor sprong er blaffend uit, onmiddellijk gevolgd door Rob. Het portier kletste weer dicht en Rob schreeuwde tegen Ben en Dolf die hun hoofd naar buiten staken: „Nou, besjour hoor! Tot kijk!” En de auto reed verder.
Jaap Kroon en Bram Hoevers, die op de stoep van de heer Termaten stonden om Pim te vertellen dat zij Dolf Reevers op de fiets met de doodverklaarde hadden gezien, keken hun ogen uit het hoofd.
„Zie je dat?” vroeg Bram.
Ben Roorda en Dolf Reevers in ’n auto met de verrader!” zei Jaap verontwaardigd.
Daar hield alles bij op! Zij begrepen er niets van. Nu stond de wereld op haar kop.
Rob was al binnen, holde met Noor de trap op.
„Waar kom jij vandaan, jongen? En wat heb je daar voor ’n pak aan?”
„Ik heb in ’t water gelegen!” antwoordde Rob.
„Wat zeg je!... In ’t water?”
Plotseling omhelsde mevrouw Felten haar jongen onstuimig, hield hem dicht tegen zich aangeklemd.
„Maar Rob, hoe kwam dat?”
Rob deed het hele verhaal.
Mevrouw Felten hoorde ontroerd toe. Tranen stonden in haar ogen toen Rob vertelde van zijn ontmoeting met dokter Van Putten en wat die had gezegd.
Zij nam Rob’s hoofd tussen haar handen en zei alleen maar: „Als je vader dat eens beleefd had!”
Noor zat kwispelstaartend aan Rob’s voeten, keek al maar naar zijn baas.
„Goeie lieve trouwe hond!” zei mevrouw Felten en zij streelde Noor over zijn kop. „Ik zou je voor geen duizend gulden meer willen missen!”
„En ik voor geen twintig duizend, al ben ik ook nog zo arm!” riep Rob met Noor over de grond rollend. Noor zwiepte met zijn staart naar rechts en naar links als om zijn baas te bedanken voor dit blijk van aanhankelijkheid.
Rob lag al in bed, toen laat in de avond de knecht van de kanton rechter een brief aan den huize Felten bezorgde. Het was een brief voor Rob van Mevrouw Heine.
Mevrouw Felten liep op haar tenen naar Rob’s kamer, opende voorzichtig de deur.
„Slaap je al?” vroeg zij zachtjes.
„Nee moeder!” klonk het uit het bed.
„Hier is ’n brief voor je van mevrouw Heine. Wil ik j’em nog even voorlezen?”
Rob vond het best en mevrouw las:

Lieve Rob,
Carl is zo pas met een ziekenauto thuis gebracht. Hij is nog erg ziek, maar ik kan niet laten je dadelijk te schrijven. Je weet niet, beste Rob, hoe innig dankbaar wij je zijn! En hoe ’n kranige jongen wij je vinden.
Het is prachtig wat je hebt gedaan. Wij zullen het nooit kun nen vergeten.
Groet je moeder van ons en zeg haar, dat zij trots op je kan zijn. Met een handdruk, je zo toegenegen

Mevrouw Heine.

Mevrouw Felten had met moeite de brief tot het einde toe gelezen.
„Huil je daar nou om moeder?” vroeg Rob, ’n beetje verwonderd.
Mevrouw Felten antwoordde niet. Zij bukte zich alleen over haar jongen heen en zoende hem op zijn wang.
„Waar is die brief? Mag ik hem eens zien?” vroeg Rob.
„Hier is ie, jongen!”
Ineens zat Rob recht in zijn bed.
„Moeder kijk eens!” riep hij en hij hield de brief omhoog.
„Wat is er dan?” vroeg zij verbaasd.
„Bruin papier!..., Precies als van mij!” riep Rob.
Plotseling begreep mevrouw Felten wat Rob bedoelde.
„Zou Carl dus”... zei ze, zonder de zin af te maken.
„Nou is ’t zeker moeder!” antwoordde Rob.
De brief van mevrouw Felten had haar zoon Carl verraden.
Wie de schrijver van de anonieme brief aan de Ouwe was ge weest was nu voor Rob geen geheim meer. Op de dekens voor hem lag het bewijs.

De eerste gedachte die bij Rob Felten opkwam, toen hij het bruine briefje van mevrouw Heine in zijn handen had was: er de volgende morgen onmiddellijk mee naar Dolf Reevers te gaan.
Nu had hij het bewijs. Dat kon Dolf aan alle jongens laten zien. Nu zou er voor niemand meer - zelfs voor Jan en Jaap Kroon en Bram Hoevers niet - enige twijfel zijn wie de verrader was geweest. Het bruine briefje dat hij daar in zijn handen had, zou Rob vrijplei ten en Carl beschuldigen.
En hij zei het aan zijn moeder.
„Daar ga ik morgen mee naar Dolf toe. Nou zullen ze zien wie de verrader is!”
Mevrouw Felten keek Rob met haar vriendelijke, lieve ogen even aan. Toen zei ze:
„Zoiets zal mijn jongen niet doen!”
„Waarom niet?” vroeg Rob, ’n beetje verwonderd.
„Omdat hij dan niet de zoon van z’n vader zou zijn!”
Rob keek haar vragend aan. Hij begreep zijn moeder niet goed.
„Carl heeft toch ’n gemene streek tegen mij uitgehaald!” zei hij.
„Dat heeft ie, jongen, en daar zal ie nu wel berouw genoeg van hebben. Maar jij mag hem niet verraden, nu niet meer. Daarvoor heb j’em toch niet uit het water gehaald?”
„Nee, natuurlijk niet!” antwoordde Rob.
„Vind je zelf dat jij met ’n briefje, dat zijn moeder jou uit dank baarheid heeft geschreven, Carl bij de jongens mag aanklagen?”
Rob had daar nog niet zo over gedacht. Hij keek ernstig naar het bruine briefje dat voor hem op de dekens lag.
„Dat zou je vader ook nooit gedaan hebben, jongen. Die was daar veel te ridderlijk voor!”
Mevrouw Felten zag Rob weer even aan.
Zij wist dat zij nu bij haar jongen een tere snaar had aangeroerd. Rob keek ernstig en nadenkend voor zich uit. Toen vroeg hij: „Maar als Carl nou nog langer zijn mond houdt?”
„Dat zal hij niet, Rob! En als hij ’t doet, nou jongen, dan zal hij zich elke dag tegenover jou hebben te schamen. Beter dat hij zich schamen moet dan jij. En dat zou je zeker, als jij aan mevrouw Heine moest vertellen dat jij Carl met haar briefje verraden hebt!”
Toen vatte mevrouw Felten Rob’s beide handen en zij vroeg: „Wat vind je zelf jongen?”
Rob knikte.
Mevrouw Felten begreep dat zij het pleit gewonnen had, zoals al tijd wanneer zij op Rob’s eergevoel en ridderlijkheid een beroep deed. Maar dit keer kostte het Rob toch wel enige moeite.
Was het niet hard nog langer te moeten zwijgen, terwijl het be wijs van Carl’s verraad hier voor hem lag? Maar zijn moeder had gelijk. Met dit briefje kon hij niet Carl aanklagen. Dat zou ’n onrid derlijke, ja eigenlijk ’n gemene zet zijn.
„Het is toch wel lam hè, als je ’t bewijs in handen hebt en je ’t niet eens mag zeggen!” zei hij.
Nee hoor, ’t was niet altijd gemakkelijk om ridderlijk te zijn.
Maar opeens begon hij te lachen.
„Och vooruit,” riep hij en hij wierp het briefje weer op zijn deken, „wat kan ’t mij ook bommen? We zijn nou al met ons drieën, Dolf, Ben en ik. En als de andere jongens horen, dat wij Carl uit het water hebben gehaald, dan zullen ze wel anders piepen, wat zeg jij Noor?” en hij knuffelde Noor, die met zijn voorpoten tegen het bed opstond.
Noor bedacht zich geen ogenblik, sprong uit pure dankbaarheid pardoes op de dekens.
„Hier Noor, wil je ook eens lezen?” riep Rob uitgelaten en hij hield het briefje van mevrouw Heine voor Noor’s neus. „Dat is ook voor jou! Jij hebt er ook aan meegedaan!”
Noor nam opeens het hele briefje in zijn bek.
„Hoi, hoi!” riep Rob verschrikt. En hij commandeerde: „Los!”
Noor liet het briefje vallen.
Toen streelden mevrouw Felten en Rob de hond over zijn kop en zeiden tegelijk: „Brave zoete hond, hoor!”
Noor had zijn ogen niet van zijn jonge meester af en gaf met zijn zwiepende staart het enige antwoord dat hij geven kon.
Toen mevrouw Felten die avond heel laat nog even op Rob’s kamertje kwam, was Rob in diepe slaap. Voor het bed aan het voe teneind lag als een trouwe schildwacht: Noor.
Op het nachtkastje zag zij het bruine briefje van mevrouw Heine liggen. Zij las het bij de kaars nog eenmaal over. Toen bukte zij zich voorzichtig over haar jongen heen, zoende hem zacht op zijn voorhoofd. Rob merkte het niet en sliep door. Maar Noor keek mevrouw Felten met zijn grote donkere ogen aan en sloeg weer met zijn staart op de grond, als wilde hij haar bedanken uit naam van zijn baas.